Loslopend kind

Autonome mobiliteit, vanuit kinderen gezien: kunnen, mogen, durven en willen als kernbegrippen

Lees hieronder onze visietekst of download hem als pdf.


Kinderen die zelfstandig ergens naartoe gaan: dat is een complex samenspel van die verplaatsing al dan niet (aan)kunnen, op weg mogen gaan, dat ook zelf durven, en het graag willen.

Op weg kunnen gaan: vaardigheden

Je zelfstandig verplaatsen is een leerproces. Een proces van lange duur. Met elk nieuw vervoermiddel en met elke nieuwe omgeving begint het opnieuw. Op weg gaan vergt heel wat vaardigheden: de motoriek leren beheersen van leren lopen, fietsen of skaten, de boordsteen van het voetpad op geraken, rondkijken en het verkeer inschatten bij het oversteken, de verkeersregels leren kennen en toepassen, het gedrag van de meest diverse weggebruikers leren inschatten, ervaring opdoen op bekende en nieuwe routes.

Het verkeer is complex en soms ronduit gevaarlijk. Fysiek en mentaal zijn kinderen daarom altijd maar in zekere mate vaardig om zich zelfstandig in het verkeer te begeven. Het ene vervoermiddel beheersen ze, het andere nog niet. Ze kunnen het ene kruispunt lezen, maar het andere nog onvoldoende.

Op weg kunnen gaan, betekent ook dat de materiële voorwaarden vervuld moeten zijn: een fiets hebben of het geld hebben om de bus te nemen.

Op weg mogen gaan: toelating

Voor kinderen is zelfstandig onderweg zijn een kwestie van mogen. Heb je de toelating van ouders of van andere opvoeders en verantwoordelijken om ergens naartoe te gaan? Hier ligt de autonomie niet bij de kinderen zelf, maar bij de toestemming van iemand anders. ‘Ik mag daar niet alleen naartoe’ of ‘sinds vorig jaar mag ik dat’: de toelating beperkt of vergemakkelijkt de mobiliteit van kinderen fundamenteel.

Wat mag en niet mag, komt vooral voort uit de inschatting van wat er onderweg fout kan gaan. Wat kunnen kinderen naargelang hun leeftijd, ervaring, temperament en kennis van de specifieke route? Hoe veilig of gevaarlijk zijn de routes en de omgeving? De autonomie van kinderen kan vergroten door een zekere vorm van begeleiding. Dat kan een oudere broer of zus zijn, of een gsm die een lijn met thuis geeft ‘voor het geval dat’. Het ‘mogen onderweg zijn’ hangt ook af van hoeveel vrijheid en autonomie kinderen genieten in hun gezin of leefomgeving.

Op weg durven gaan

‘Durven’ gaat over kinderen die zichzelf de toelating geven om ergens naartoe te gaan. Opnieuw staan bezorgdheden over veiligheid voorop. Het verkeer zelf, de drukte, de complexiteit,... Er zijn vele redenen waardoor een kind kan beslissen om een route niet te nemen, een bepaalde plek te vermijden, of zelfs om helemaal niet op weg te gaan. Ook andere zorgen over veiligheid en vertrouwen spelen mee: Is het donker? Passeer je onaangename plekken? Zijn de mensen op je pad te vertrouwen?

Op weg willen gaan

Soms ‘moet’ je op weg, maar net zo goed hebben de verplaatsing of de gekozen route te maken met de kwaliteit van het onderweg zijn. Zijn er leuke bestemmingen? Is het verplaatsen zelf leuk door de omgeving of door het vervoermiddel? Onderweg zijn is soms ook zomaar een toertje fietsen. Het is voor kinderen zoveel meer dan de verplaatsing van A naar B. Kan je het onderweg zijn combineren met spelen en met babbelen? Ook dat is voor kinderen echt van tel. Wegen, stoepen en paden zijn voor kinderen tegelijk routes en verblijfsplekken.

De waarde van autonome mobiliteit

Als samenleving hebben we er alle baat bij om kinderen zoveel mogelijk te ondersteunen in hun (groei naar) zelfstandig onderweg zijn. Alleen door zelfstandig op weg te (leren) zijn, doen kinderen de nodige ervaring op om zich in het verkeer te begeven. Door in hun buurt rond te lopen, te skaten of te fietsen leren ze hun eigen woonomgeving kennen en nemen ze deel aan de samenleving. Autonome verplaatsingen van kinderen zijn bovendien actieve verplaatsingen. Ze zorgen ervoor dat kinderen en tieners bewegen. Dat komt hun mentale en fysieke gezondheid ten goede, én het vermindert de mobiliteitsdruk door autoverplaatsingen.

Rijdende en stilstaande auto’s zijn erg bepalend voor de autonome mobiliteit van kinderen. De manier waarop de publieke ruimte en verkeersinfrastructuur zijn gepland en ingericht, is doorslaggevend. Al die elementen bepalen of kinderen de toelating krijgen van hun ouders om alleen op weg te mogen gaan.

Het zou eenvoudigweg moeten kunnen dat een kind van acht in de eigen buurt zelfstandig kan rondlopen of rondfietsen. Hoe veilig, hoe vanzelfsprekend en hoe aantrekkelijk verplaatsingen zijn voor kinderen, zegt veel over de kwaliteit van de publieke ruimte in hun buurt, gemeente of stad. Hetzelfde geldt voor ouderen.

Zijn kruispunten, fietspaden of oversteekplaatsen geschikt voor achtjarigen en voor tachtigjarigen? Ingrepen in de publieke ruimte die goed zijn voor beide groepen, komen iedereen ten goede.

060_Pjotr_Kaart.png

De route maakt het verschil: Veiligheid, houvast en beleving als kernkwaliteiten

Hoe zorgen we ervoor dat kinderen makkelijker kunnen, mogen, durven en willen op weg zijn? Door bij de planning en inrichting van routes te werken aan drie principes die de autonome mobiliteit van kinderen vergroten: veiligheid, houvast en beleving.

Mobiliteit gaat altijd samen met de zorg om veiligheid. Als er iets fout gaat, kunnen de gevolgen groot zijn. De complexiteit van verkeerssituaties is vaak groot en verschillende weggebruikers kunnen onzacht met in elkaar in aanraking komen. Dat onderweg zijn potentieel gevaarlijk is, meer dan pakweg spelen of op de schoolbanken zitten, beïnvloedt fundamenteel het kunnen, mogen en durven onderweg zijn van kinderen. De manier waarop wegen zijn gepland en ingericht, speelt daar een doorslaggevende rol in.

De complexiteit van onderweg zijn in de openbare ruimte is een bijkomende zorg. Complexe verkeerssituaties vragen om houvast. Het hele leerproces van kinderen in het verkeer heeft veel te maken met het onder controle krijgen van die complexiteit. Eens je het fietsen zelf goed onder de knie hebt, heb je de mentale ruimte om ook op de weg en het verkeer te letten. Het begrijpelijk en leesbaar maken van het verkeer is wat ouders voortdurend proberen doen wanneer ze samen onderweg zijn. Ze gaan naast of achter hun kind rijden, geven instructies, zeggen waarop ze moeten letten. Het is mee op basis van die aangeleerde vaardigheden om de complexiteit van het verkeer onder controle te krijgen, dat ouders beslissen om hun kinderen alleen op weg te laten gaan of dat kinderen dat alleen aandurven. De manier waarop routes en de schakels daarin zijn ingericht, kan mee zorgen voor dit broodnodige houvast voor kinderen. Hoe leesbaar is een kruispunt? Hoe duidelijk is het waar je mag oversteken in een zone 30 zonder zebrapad? Hoe uitdrukkelijk is de fietsstraat ook echt als fietsstraat ingericht?

Eigen aan kinderen is dat onderweg zijn heel uitdrukkelijk meer is dan ‘van A naar B gaan’. Op weg zijn, is ook babbelen onderweg. Het is díe route kiezen die ‘niet saai’ is omdat je er iets kan beleven: om ter snelst fietsen tot aan de volgende verlichtingspaal, slalommen en spelen. Die beleving maakt onderweg zijn aantrekkelijk. Voor kinderen is er minder dan voor volwassenen een onderscheid tussen functionele en recreatieve verplaatsingen. De precieze planning en inrichting van routes en van de plekken onderweg, bepaalt voor kinderen grotendeels hun kwaliteit en aantrekkelijkheid.